Drempelvelden

De donkerte van de hemel kun je bepalen met behulp van de sterren die je nog nét met het blote oog kunt waarnemen.  Dit kan je doen aan de hand van de grensmagnitude van de zwakste sterren, met behulp van zogenaamde drempelvelden.

Om waarnemingen goed te kunnen verwerken met de data van andere waarnemers, is het belangrijk om te weten hoeveel sterren je ongeveer kon zien aan de hemel (dat kan verschillen per waarnemer). Dit kun je aangegeven met de ‘grensmagnitude‘. Dit is de helderheid van de zwakst zichtbare ster die tijdens de waarneemperiode te zien was.

Helderheden van sterren worden weergegeven in magnitudes. Bij deze schaalverdeling hebben zwakkere sterren een hogere magnitude. De helderste sterren zijn van magnitude -1 of 0. Sterren van de sterrenbeelden Grote Beer en Cassiopeia zijn ongeveer van magnitude +2. De zwakst zichtbare sterren aan een hele heldere en donkere hemel zijn van magnitude +6.

Aangezien het lastig is om de zwakste ster aan de sterrenhemel te vinden, maken we gebruik van drempelvelden om de grensmagnitude te bepalen. Hiervoor zijn gebiedjes aan de hemel afgezet in bepaalde sterrenbeelden, de zogenaamde drempelvelden. Dit zijn meestal gebieden binnen de lijnen van 3 of 4 redelijk heldere sterren. Als waarnemer tel je het aantal sterren die in dit gebiedje te zien zijn (inclusief de sterren in de hoekpunten van het gebied). In een tabel zoek je de bijbehorende grensmagnitude op. Deze procedure heet ‘drempelen’. Hoe mee sterren je ziet, hoe zwakker de zwakst zichtbare ster is. Des te hoger is dan de grensmagnitude. Bij meteorenwaarnemingen is het handig om twee of drie drempelvelden bij te houden, want dit levert een nauwkeurigere grensmagnitude op.

Om bruikbare drempelvelden te vinden kun je ondermeer gebruik maken van de Meteoscope, een draaibare sterrenkaart die speciaal bedoeld is voor de visuele meteoorwaarnemer.

Detail van de Meteoscope. De drempelvelden zijn zichtbaar als de driehoekige gearceerde gebieden, zoals in het sterrenbeeld Tweelingen (Gemini).