Vuurbol op 28 juni: wat weten we dusver?

Op vrijdagavond omstreeks 21:30 verscheen in de vroege schemering een heldere vuurbol boven Nederland. Ruim 500 mensen maakten tot nu toe melding van het fenomeen bij het vuurbolmeldpunt. Opmerkelijk was dat de vuurbol gepaard ging met supersonische knallen. Deskundigen van de Werkgroep Meteoren doen onderzoek naar het fenomeen.

Ooggetuigen maakten op grote schaal melding van de vuurbol via het vuurbolmeldpunt. Van de 500 binnengekomen meldingen kwam het overgrote deel via de landelijke Werkgroep Meteoren (n=379). Ook kwamen er meldingen uit België en Duitsland. Enkele tientallen waarnemers maakte ook melding van het uiteenvallen (fragmentatie) van de vuurbol. Op basis van een deel van de waarnemingen is er vroeg in de nacht al een eerste analyse gemaakt van het voorlopige traject. Alle online meldingen zijn ook automatisch verwerkt, waarvan het resultaat hieronder te zien is. Enig voorbehoud is dat voor dit grondpad de waarnemingen nog niet zijn gefilterd. 

Een automatisch gegenereerde kaart op basis van 341 waarnemingen die zijn gemeld via het vuurbolmeldpunt van IMO. Op deze ‘hittekaart’ zijn de rode kleuren de gebieden met de meeste waarnemers. Enig voorbehoud is dat voor dit grondpad de waarnemingen nog niet zijn gefilterd.

Oproep: deel camerabeelden

Door de vroege verschijning van de vuurbol waren de cameranetwerken in Nederland nog niet actief. Het hele luchtruim is weliswaar afgedekt, maar er is een bepaalde mate van duisternis nodig om fenomenen vast te leggen. Rond 21.30 was het te licht. Zodoende roepen we het publiek op om camerabeelden in te sturen naar de Werkgroep Meteoren (info@werkgroepmeteoren.nl). Nieuwe beelden kunnen bijdragen aan een betere berekening van het lichtspoor. Dat kunnen foto’s en video’s, maar ook dashcambeelden zijn. Inmiddels lijken ook de eerste filmbeelden van de vuurbol van vrijdagavond te zijn opgedoken.

Achter de schermen hebben de deskundigen van de Werkgroep Meteoren nauw contact met andere meteoorexperts in Nederland en onderzoekers verbonden aan Naturalis en aan de universiteit. Gezamenlijk proberen ze de omstandigheden van de vuurbol in meer detail te reconstrueren. 

Supersonische knallen en infrageluid

Veel mensen die de vuurbal zagen, maakten ook melding van geluiden zoals doffe knallen. Dergelijk geluid is hoorbaar wanneer een object door de geluidsbarrière gaat, het zijn supersonische knallen (‘sonic booms‘). De onderstaande kaart geeft een overzicht waarbinnen de geluidswaarnemingen zijn gedaan door ooggetuigen. Ook bij andere meldpunten kwamen meldingen van het geluid binnen. Extra opvallend is dat dit de eerste na-oorlogse vuurbol is waarbij er op grote schaal supersonische knallen door het land werden gehoord. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1843, toen nabij Utrecht een grote meteoriet insloeg.

Via de Werkgroep Meteoren wordt er ook met een amateur-infrageluidstation waarnemingen gedaan. Infrageluid is het voor de mens onhoorbaar geluid dat vaak gepaard gaat met explosies en supersonische knallen. Het team achter dit station heeft geen detectie van de vuurbol, maar dat is anders bij het meetnetwerk van het KNMI. Prof. Läslo Evers meldt ons dat “er infrageluidssignalen zijn gemeten van deze vuurbol. Het sterkst op instrumenten op vliegbasis Deelen en afnemend in sterkte naar het westen in onder andere De Bilt en Cabauw. Dit duidt op een bron boven oostelijk NL, wat volgens mij conform de visuele waarnemingen is“.

Detailkaart waarop de groene ovaal het gebied omlijnt waarbinnen ooggetuigen geluiden hebben waargenomen en dit hebben aangegeven via het vuurbolmeldpunt. De rode kleuren geven de waarneemdichtheid weer van alle waarnemers. Binnen het omlijnde gebied waren er zo’n 40 meldingen van geluid.

Meteorieten

Het lichtfenomeen noemen we de meteoor of, zoals nu in zeer heldere gevallen, vuurbol. Op sociale media werd veel melding gemaakt dat mensen een ‘meteoriet’ zagen, waar dus het fenomeen van de vuurbol werd bedoeld. Als het object dat de vuurbol produceerde niet helemaal is opgebrand, bestaat de kans dat er restanten zijn ingeslagen. Dat noemen we meteorieten, waarvan er in de afgelopen 200 jaar slechts 6 zijn gevallen in Nederland. Op dit moment zijn er geen meldingen bij het landelijke meteorietenmeldpunt binnengekomen. Het meldpunt werkt nauw samen met experts van onderzoeksinstelling Naturalis. 

Van wat er dusver bekend is over de daglichtvuurbol van 28 juni j.l., moeten vooral inwoners in de noordwestkop van Overijssel alert zijn voor bijzondere stenen. Wat maakt een steen in onze ogen “bijzonder“? Lees alles in onze determinatiehulp en neem bij twijfel contact op met de experts van het landelijke meteorietenmeldpunt.

Op basis van de ooggetuigenverslagen ontvangen via het vuurbolmeldpunt, maakt meteoorwaarnemer Marco Langbroek ook een kaart van de mogelijke eindpunt van de vuurbol. Zonder beschikbaar beeldmateriaal is de onzekerheid van deze zone nog groot en daarom zijn we op zoek naar aanvullend beeldmateriaal om de berekeningen te verfijnen. Kaart: Marco Langbroek
Meer weten?

Gepubliceerd: 29 juni 8:23. Laatste update: 1 juli 19:45

Diepenveen-meteoriet heeft mogelijk overeenkomsten met de planetoïde Ryugu

De Diepenveen-meteoriet viel op 27 oktober 1873, maar werd pas in 2012 in een privé-collectie herontdekt voor de wetenschap. Nu publiceert een team van 26 onderzoekers van verschillende internationale onderzoeksinstituten – met Marco Langbroek van Naturalis Biodiversity Center als eerste auteur – de resultaten van grondig onderzoek naar de ‘Diepenveen’ in Meteoritics & Planetary Science. Opvallend: de steen is na anderhalve eeuw omzwervingen op aarde nog verrassend vers én vertoont mogelijk overeenkomsten met de planetoïde Ryugu waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 eerder dit jaar is geland. Het wordt spannend om, als Hayabusa 2 in 2020 terug naar aarde komt met steenmonsters, de materialen te vergelijken.

De steenmeteoriet ‘Diepenveen’ is in 2012 herontdekt in een privécollectie door een oud-conservator van het Eise Eisinga Planetarium. Eind 2013 werd de steen door de toenmalige eigenares geschonken aan de rijkscollectie, beheerd door Naturalis Biodiversity Center in Leiden. Bij het nu gepubliceerde onderzoek waren in Nederland ook de VU Amsterdam, het KNMI en de KNVWS betrokken.

De Diepenveen-meteoriet. Foto credit: Sebastiaan de Vet/ Naturalis Biodiversity Center

Verschillende impacts

De meteoriet behoort tot het CM-type van de koolstofchondrieten, een speciale groep meteorieten met soms honderden soorten organische moleculen. De Diepenveen is een zogeheten ‘regoliet’, materiaal dat afkomstig is van een door inslagen flink omgewoeld en tot stof en brokstukjes vergruisd oppervlak. Het materiaal wijkt echter op een aantal punten flink af van andere meteorieten van het CM-type:

  • de zuurstofisotopen (variaties van het zuurstofatoom) zijn lichter dan in andere stenen van deze groep;
  • sommige delen van de steen zijn minder omgezet door contact met water in de ruimte dan gangbaar;
  • het Diepenveen-materiaal heeft verschillende inslagen meegemaakt, waarbij de laatst gedateerde grote inslag zo’n 1,5 miljard jaar geleden plaatsvond in de planetoïdengordel, wat behoorlijk jong is voor ons zonnestelsel;
  • het materiaal heeft na de laatste inslag, toen het C/Cg-type moederlichaam onder invloed van Jupiter-verstoringen al in een baan dichter bij de aarde terecht was gekomen, nog zo’n 3 tot 5 miljoen jaar als klein object van ongeveer een halve meter doorsnee door de ruimte gevlogen. Dat is veel langer dan normaal bij dit type meteoriet.

Samenstelling

De onderzoekers hebben veel koolstofverbindingen (organische moleculen, zoals aminozuren) gevonden die ook in sommige andere meteorieten voorkomen, maar ze bleken andere samenstellingen en verhoudingen te hebben. De verhouding van twee belangrijke aminozuren in de steen lijkt juist niet op die van andere meteorieten van het CM type, maar wél op die van meteorieten van een heel ander type (CI). De Diepenveen lijkt nog het meeste op een CM-meteoriet die in 1979 in Antarctica is gevonden, Yamato 793321. Indirect geeft dat ook een bevestiging dat de bijzondere eigenschappen hun oorsprong vinden in processen in de ruimte, want de Diepenveen en Y-793321 hebben na hun val op aarde een compleet andere geschiedenis meegemaakt. De Diepenveen heeft eigenschappen van verschillende meteorieten uit verschillende groepen en kan daardoor mogelijk als een ‘kosmische bruggenbouwer’ die meteorietsoorten met elkaar verbinden.

“Als Hayabusa 2 in 2020 naar de aarde terugkomt met kleine gesteentemonsters is het spannend om het materiaal met Diepenveen te kunnen vergelijken.”

Leo Kriegsman, Naturalis

Diepenveen en planetoïde Ryugu

De eigenschappen van Diepenveen zette de onderzoekers op een zoektocht naar planetoïden die kunnen lijken op de ruimterots waarvan Diepenveen ooit afbrak. Ze kwamen er een op het spoor door te kijken hoe zonlicht weerkaatst wordt door vergruisde oppervlakken. Het reflectiespectrum van de Diepenveen lijkt op dat van de koolstofrijke planetoïde Ryugu, een ruimterots van ongeveer een kilometer doorsnee waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 op 21 februari 2019 is geland. “Hier op aarde kun je gesteente vaak in context beter begrijpen, maar dat is met een steenmeteoriet uit het zonnestelsel een stuk lastiger. Ruimtemissies kunnen dus uitkomst bieden”, licht Naturalis-onderzoeker en mede-auteur Sebastiaan de Vet toe. Mogelijk bestaat een deel van het oppervlak van Ryugu dus uit materiaal dat vergelijkbaar kan zijn met de Diepenveen-meteoriet. “Overeenkomsten tussen meteorieten en planetoïden zijn vrij zeldzaam, dus als Hayabusa 2 in 2020 naar de aarde terugkomt met kleine gesteentemonsters is het spannend om het materiaal met Diepenveen te kunnen vergelijken”, voegt Leo Kriegsman daar aan toe, die als Naturalis-onderzoeker ook meewerkte aan de studie. Diepenveen kan op deze manier mogelijk nieuwe aanwijzingen geven over de bouwstenen en de processen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de rotsplaneten en misschien zelfs aan het leven op onze planeet.

 


Bron: Persbericht van het Naturalis Biodiversity Center.  Beeld en tekst mag alleen overgenomen worden met vermelding van de juiste credits.

Bijdrage Werkgroep Meteoren: Binnen het onderzoek was er ook een rol weggelegd voor leden van de Werkgroep Meteoren. Niek de Kort was na de initiële herontdekking betrokken vanuit het Meteoriet Documentatie Centrum en trok het historische onderzoek. Jacob Kuiper dook de weerarchieven in en reconstrueerde de weersomstandigheden rondom de inslag in 1873. Sebastiaan de Vet verzorgde de spectroscopische metingen die bijdroegen aan het leggen van de link naar Ryugu en maakte een 3D-model om de dichtheid van de meteoriet te bepalen.

Jaaroverzicht 2018

Terwijl op oudejaarsdag de uren en minuten langzaam wegtikken naar 2019, blikken we voor meteoorminnend Nederland terug op enkele hoogtepunten en bijzondere ontwikkelingen van het afgelopen jaar.

Het jaar 2018 was wederom een interessant jaar voor liefhebbers van meteoren, vuurbollen en meteorieten. Op verschillende manieren vielen deze fenomenen weer op naast de gebruikelijk waarneemactiviteiten. Als we een aantal hoogtepunten van het afgelopen jaar op een rij zetten, zien we óók dat dit jaar qua fenomenen erg divers was.

In het voorjaar werden er bijvoorbeeld weer mooie lichtende nachtwolken of ‘noctilucent clouds’ (NLCs) door verschillende waarnemers gesignaleerd. Het verschijnsel ontstaat door fijnstof hoog in de atmosfeer dat onder meer afkomstig is van meteoren.

De Perseïden maakten weer hun opwachting en op veel plekken werd een poging genomen om ze waar te nemen, zo bleek uit ons overzicht. Bewolking bleek in Nederland de grote spelbreker tijdens het maximum van de Perseïden. Vanuit het buitenland konden Nederlandse meteoorwaarnemers het Perseïdenmaximum tijdens de maximumnacht wel goed waarnemen van de donkere berg Debelo Brdo in Servië. 

Een jaar vol lustrums

Zelden vallen er in één jaar zoveel bijzondere lustrums samen als in 2018. Zo was het op 1 mei j.l. precies 75 jaar geleden dat de illustere voorganger van de Werkgroep Meteoren, de Astroclub, werd opgericht. Daarnaast was het op 7 augustus, ook 65 jaar geleden dat de allereerste meteorenfoto in Nederland werd gemaakt door Machiel Alberts met een zelfgebouwde meteorencamera. De camera is tegenwoordig voor het publiek te bezichtigen in de we tentoonstelling van sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht. Volgend jaar zullen we meer bekend maken over het plan om een speciale fotografieprijs in te stellen, de ‘Alberts Award‘, als aanmoedigingsprijs voor de meteoorfotografie.

Er was in 2018 overigens nóg een bijzonder jubileum te vieren. Namelijk het 175-jarig jubileum van de grootste meteoriet van ons land. Op 2 juni 1943 vond een meervoudige meteorietinslag plaats waarbij twee meteorieten neervielen in de weilanden nabij de stad Utrecht. Ter gelegenheid van dit ‘inslaglustrum’ werd er in samenwerking met sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht een speciaal meteorietenweekend georganiseerd.  Mede dankzij een 3D-model dat gemaakt is van het grootste fragment, de Blaauwkapel, konden het Loevenhoutje voor het eerst na de inslag weer met zijn wederhelft worden herenigd. Daarnaast organiseerden we met Sonnenborgh een mini-expo en een bijzonder avondprogramma op 2 juni, en was er op zondag 3 juni een speciale science show over meteoren en meteorieten en kans om tijdens het meteorietenspreekuur deskundigen van het Meteoriet Documentatie Centum te spreken.

De grootste meteoriet van Nederland. Op 2 juni 1843 sloegen twee fragmenten van deze
meteoriet in nabij de stad Utrecht. Dit is het Loevenhoutje, de kleinste van de twee. Foto: Sebastiaan de Vet

De Foo Fighters vuurbol

Op zaterdagavond 16 juni verscheen een vuurbol omstreeks 23:11 in de diepe schemering. De vuurbol was een extra opvallende verschijning omdat van de bolide tijdens het optreden van de Foo Fighters langs Pinkpop scheerde. Al werd deze door sommigen omgedoopt tot de “Pinkpopvuurbol”, wij vinden Foo Fighters Vuurbol toch iets beter allitereren. Ruim 200 ooggetuigen gaven via het internationale vuurbolmeldpunt hun waarneming door.  

Werkgroeplid Felix Bettonvil legde een paar dagen later, op 29 juni ook een mooie vuurbol vast met de HHEBBES meteorencamera. Hiervan kwamen eveneens ruim 200 meldingen binnen bij het internationale vuurbolmeldpunt van de IMO, waarvan een groot aantal via de website van de Werkgroep Meteoren werden doorgegeven. In de BeNeLux blijkt het algemene publiek bijzonder goed bedreven in het melden van vuurbollen via de meldpunten. 

Heatmap van vuurbolmeldingen. Na de verschijning van de ‘Foo Fighters vuurbol’ op zaterdag 16 juni omstreekt 23:11 zijn er bij het internationale vuurbolmeldpunt zo’n 200 meldingen binnengekomen.

Nieuws over technieken

Op de website hadden we ook mooi gastbijdragen van nieuwe waarneemtechnieken geschikt om meteoren en vuurbollen vast te leggen, zoals een alternatief voor een all-sky camera van Marco Verstraaten. Ook was 2018 het jaar dat het FRIPON-NL netwerk eindelijk gestalte aanneemt met de uitbreiding tot een landelijk dekkend waarneemnetwerk over heel Nederland. Internationaal staat het waarnemen van vuurbollen ook hoog op de agenda van amateurwaarnemers, dat bleek tijdens de jaarlijkse Internatinoale meteorenconferentie (IMC) die dit jaar in Slowakije plaatsvond, niet ver van Wenen en nét na de General Assembly van de International Astronomische Unie (die in 2019 haar eeuwfeest viert). Lees hier de terugblik. En wie zelf eens iets aan slijpplaatjes van meteorieten wilt ontdekken, kreeg een mooi tip voor een budget-opstelling om slijpplaatjes te bekijken.

Van historische tot kunstmatige meteoren

Naast de actualiteit waren er ook gastbijdragen die terugblikten op historische ontwikkelingen in de meteoorastronomie zoals een ‘Zonderling lugtverschijnsel’ dat de republiek in rep en roer bracht, het verhaal over een heldere meteoor in 1850, er doken unieke polygoonbeelden van de Werkgroep Meteoren op uit 1952 en we ontdekten meer over het waarnemen van kunstmatige meteoren in 1957 en de nabije toekomst

Kom jij in 2019 ons bestuur versterken?

Begin van 2018, tijdens de ALV in februari, werd het voorstel door de leden aangenomen om een nieuwe secretaris van de Werkgroep in te stellen. Na deze bestuursmutatie is er nog altijd een vacature beschikbaar in het bestuur voor een algemeen bestuurslid, bijvoorbeeld voor iemand met interesse en ervaring in fotografie, visueel waarnemen of gewoon iemand die ook gefascineerd is door meteoren. Geïnteresseerd? Neem dan contact op met het bestuur.

Het bestuur van de Werkgroep Meteoren wenst je een fijne jaarwisseling en een stralend nieuw jaar met prachtig kosmisch vuurwerk!

Prijsbewuste petrologie: meteorietslijpplaatjes bekijken op een klein budget

Het bestuderen van meteorieten onder een geologische microscoop geeft een fascinerend beeld van de mineralen en de structuren van het gesteente. We schreven er op de website al uitvoerig over. Heb je per se een petrologische microscoop nodig om slijpplaatjes te bekijken? Zeker niet, want polarisatiefilters voor fotocamera’s blijken een prima alternatief voor wie het écht simpel wilt houden.

Slijpplaatje kun je eenvoudig bekijken tussen twee polarisatiefilters met behulp van een handlens. Een relevante vraag is welke filters daarvoor geschikt zijn, of wáár je deze filters vandaan haalt. Polarisatiefilters zijn op grote schaal verkrijgbaar als filters die je voor de lens van je fotocamera schroeft. Deze polarisatiefilters lijken dus een handige optie te zijn. Wie het goed wilt aanpakken zou dus het liefst gebruik maken van lineair gepolariseerde filters, net zoals de filters die in geologische microscopen worden gebruikt. Echter, een van de verworvenheden van de moderne digitale DSLR camera’s is de autofocus en de lichtmeting door de lens. Deze twee functies worden verstoord bij gebruik van een lineair polarisatiefilter. Het alternatief voor het lineaire filter is het circulaire polarisatiefilter dat net wat anders werkt en daardoor de voorgenoemde autofocus- en lichtmeetproblematiek het hoofd weet te bieden. Het gevolg is dat de lineaire filters door de populariteit van de DSLR’s beperkter verkrijgbaar zijn dan hun circulaire soortgenoten. Zijn de circulaire polarisatiefilters een alternatief en geven ze door hun andersoortige werking wel resultaat? We namen de proef op de som en testte of de circulaire polarisatiefilters óók geschikt zijn om slijpplaatjes te bekijken.

Circulaire polarisatiefilters bedoeld voor de DSLR. Met een diameter van 62 mm kun je een slijpplaatje (doorgaans 45×22 mm groot) tussen de twee filter plaatsen, waarna je de twee filters op elkaar schroeft voor gebruik. Foto © Werkgroep Meteoren.

Proef op de som

Op de onderstaande foto is een exemplaar (een ‘individual’) van een SaU 001 meteoriet te zien, met een kenmerkende zwartgeblakerde smeltkorst. Het slijpplaatje op de afbeelding is afkomstig van een ander fragment. Dit flinterdun geslepen meteorietplakjes is slechts 30 micrometer dik: dun genoeg dat licht dóór het gesteente heen valt. Hierdoor is het mogelijk om het plakje met doorvallend gepolariseerd licht te bestuderen. Dit is dan ook een veelgebruikte aanpak waarmee geologen tal van gesteenten onder een petrologische microscoop bestuderen om ze aan een classificatie te onderwerpen. Je leest elders op onze website wat meteorieten op deze manier prijsgeven.

Sayh al Uhaymir 001 met slijpplaatje. Deze gewone steenmeteoriet (chondriet) is afkomstig uit de woestijn van Oman. Rond het jaar 2000 werd er rond de 450 kg van deze meteoriet geborgen. Ze classificeren als L4/5 en bevatten verschillende soorten chondrulen. Foto © Werkgroep Meteoren.

Een wezenlijk verschil tussen de lineaire en circulaire polarisatiefilters is de manier waarop de lichtgolven worden gefilterd. Zo is het beeld door gekruiste lineaire filters geheel zwart. Immers, de polarisatierichting van de onderlinge filters verschillen in gekruiste toestand 90 graden. Het licht wordt in één golfrichting doorgelaten door het eerste filter, maar niet door het tweede omdat ze gekruist zijn. In tegenstelling tot het lineaire filter, zorgt het circulaire filter dat de lichtgolf een draaiing ondergaat en op basis van die eigenschap wordt weggefilterd. We laten te onderliggende natuurkunde even achterwegen (details zijn hier te lezen), maar het effect is dat het beeld van twee gekruiste filters niet donker maar juist geel- of blauwkleurig wordt, al naar gelang de draaiing van het ene filter ten opzichte van de andere. De onderstaande foto illustreert het effect.

Het slijpplaatje tussen twee circulaire polarisatiefilters. De verschillende sneden geven een idee van de veranderingen die optreden in het beeld zodra een circulair polarisatiefilter wordt gekruist en gedraaid. Foto © Werkgroep Meteoren.

Heeft dit dan ook invloed op de manier waarop we naar een slijpplaatje kijken? Dat hangt er vanaf hoe je het bekijkt. Bij een geologische microscoop die werkt met lineaire polarisatie wordt het licht eerst gepolariseerd voordat het door het slijpplaatje valt. Zodra dat licht door het slijpplaatje valt, beïnvloeden de mineralen in het gesteente de verdraaiing van de lichtgolven, en pas met het tweede filter zien we het effect (daarom wordt het tweede filter ook wel de ‘analysator’ genoemd). Bij het gebruik van circulaire polarisatiefilters is de werking niet wezenlijk anders. Net als met lineaire polarisatie wordt het doorvallende licht gefilterd zodat bepaalde mineralen in een andere kleur oplichten. Kwantitatief gezien is er dus een verschil: je kunt de mineralen met een circulair gepolariseerd filter immers niet op dezelfde gestructureerde wijze bestuderen als met de lineaire filters in een petrologische microscoop. Kwalitatief gezien, heeft het gebruik van circulaire polarisatiefilters geen groot nadelig effect op het zichtbaar maken van verschillende mineralen en structuren.

Alles dat je nodig hebt voor een budget-opstelling voor het bekijken van slijpplaatjes. Uit onze test blijkt dat je kunt volstaan met een tweetal circulaire polarisatiefilters (62 mm diameter is aan te bevelen) en een goede handlens die 10x tot 15x vergroot. Foto © Werkgroep Meteoren.

Net als met lineaire polarisatie zie je met een circulaire polarisatiefilter de verschillende mineralen en structuren óók in andere kleuren oplichten en van kleur verschieten tijdens het draaien van de filters. Porfirische chondrulen lijken net op een bonte verzameling confetti, terwijl de traliechondrulen hun kenmerkende kleurrijke strepenpatroon vertonen. Het resultaat is dus vergelijkbaar met de lineaire polarisatiefilters, alleen fysisch gezien is het dus nét iets anders.

Traliechondrule in het SaU 001 slijpplaatje. Het resultaat van de opstelling met circulaire polarisatiefilters: een detailopname uit het slijpplaatje van de SaU 001 waarin o.a. traliechondrulen zichtbaar zijn. Deze macrofoto is gemaakt met de ‘omgekeerde lens methode’. Hierbij is een primelens met een omkeerring op de DSLR camerabody gemonteerd om er een macrolens van te maken. Foto © Werkgroep Meteoren.

Het eindoordeel

Al met al blijken de circulaire polarisatiefilters een prima optie voor wie zijn eerste stappen wilt zetten met het bestuderen van (meteoriet)slijpplaatjes. Met een handlens die een vergroting van 10x tot 15x geeft, kun je al naar de intrigerende kleuren en structuren van chondrulen turen. Zo kun je dus voor enkele tientjes op eenvoudige wijze slijpplaatjes in gepolariseerd licht bekijken om fascinerende eigenschappen van meteorieten te ontdekken.  Wellicht is deze simpele opzet een mooie opmaat naar een nieuwe hobby met een échte geologische microscoop.

Meer lezen:

 


Tekstbijdrage: Sebastiaan de Vet

FRIPON-NL: Extending the French all-sky fireball camera network to The Netherlands

By: Detlef Koschny, Andrea Toni.

The Fireball Recovery and InterPlanetary Observation Network (FRIPON) is currently operational in France and includes about 100 cameras. Based on the French FRIPON system, a new fireball camera network is currently being extended to the Netherlands, offering new opportunities for scientific research, fireball detections and even meteorite recovery.

Figure 1: The FRIPON camera installed on top of ESA/ESTEC in Noordwijk.

FRIPON is an all-sky camera network with the aim of detecting fireballs and computing their trajectories. By computing the ‘dark flight’ of surviving pieces of the meteoroid, the location (strewn field) of meteorites from the fireball can be predicted. This is the ultimate goal of the project, funded by the French National Research Agency: to find meteorites on the ground and link them, via the orbit determined from the observation of the fireball, to its parent object. The IMCCE (Institut de Mécanique Céleste et de Calcul des Éphémérides) in Paris has developed and commercialized the camera hardware, installed a central server, and designed the detection and data processing software. Almost 100 cameras are operational in France, and the data processing part is in the final stages of implementation.

The Meteor Research Group at ESA’s Science Support Office is currently operating a double-station meteor camera system on the Canary Islands called CILBO (Canary Islands Long-Baseline Observatory). It records meteors down to fainter than magnitude 5. It will saturate for meteors brighter than magnitude 0. To extend our observations to larger objects, or brighter magnitudes, we decided to get started with all-sky fireball cameras. Rather than developing our own system we decided to use something which already exists. Due to existing contacts to the IMCCE, we decided that we would expand the FRIPON system to the Netherlands.

Science rationale

The initial science rationale of FRIPON was to increase the number of meteorites found in France and to link them to their parent bodies. This can be done by observing fireballs – propagating their trajectory backwards will allow to determine their orbits in the Solar System; extrapolating the flight path forward, taking into account wind direction and speed, allows the prediction of the location of any meteorites from the fireball.

For us the science rational for using a FRIPON-based system differs. At the Meteor Research Group of ESA, we have been working on the flux density of meteoroids, i.e. how many meteoroids enter the Earth’s atmosphere per area and time. We did this by using data from our double-station meteor video camera system on the Canary Islands (CILBO). For meteors brighter than about magnitude 0 this system will go in saturation. Depending on the material and the velocity of the object, this corresponds to meteoroid diameters of about 2 mm to about 3 cm. With the data from FRIPON, the flux densities of larger objects can be determined.

Another important potential science result will be to compute the luminous efficiency. This is the percentage of kinetic energy of the meteoroid which is converted to light. I.e., if I want to compute the mass (or size) of a meteoroid from the magnitude, I need to know this number. With just the brightness curve of a meteor, this value cannot be determined. For our CILBO setup, we have used values obtained by simultaneous observations with video and radar systems performed in Canada. Another determination method is to take the deceleration of the meteor into account. The deceleration is best seen for objects larger than what we can detect with CILBO. FRIPON regularly observes this deceleration and allows the determination of the luminous efficiency without requiring another detection technique.

The camera hardware

The FRIPON camera currently installed on top of ESA/ESTEC in Noordwijk is shown in Figure 1; the complete hardware including the computer can be seen in Figure 2. The camera itself is a Basler aca1300-30gm digital camera (older systems have a DMK23g445) operated at 25 frames per second. It is installed in a protective housing with an optical quality transparent dome on top. The camera housing is less than 10 cm in diameter and about 15 cm in height. It is manufactured by the company Shelyak, it costs about 1200 Euro. The included mounting hardware allows it to be installed either on a flat surface or attached to a pole not more than 5 cm in diameter. It has a short Ethernet pigtail cable for connection to the computer.

The power is provided via the same cable. This requires a ‘Power-over-Ethernet’ capable router when connecting the camera. If needed, the camera cable can be extended via a ‘Cat-6’ Ethernet cable to connect to a PoE-capable router. The router connects the camera to the computer and the internet. In principle any computer can be used. We use a ‘NUC’, a ‘Next Unit of Computing’ machine, a very compact computer only about 10 x 10 x 5 cm in size. When purchased with the correct solid state harddisk, the complete software system can be installed via a disk image.

The system does not have a keyboard or monitor – it connects to a server in France and is only accessible remotely via the French computer. If we want to see our own computer, we have to log into the server in France, only from there we can access it. The reason is explained in the section on data processing.

Figure 2: The complete hardware. The camera can be seen on the bubble foil to the left. The black box with the labels is the Power-over-Ethernet router with power supply. To the right the ‘NUC’ computer. This is a system intended for installation in Germany. The NUC for the ESTEC camera can be seen in the background.

Data processing

The NUC reads the image data coming from the camera in real time. Detection software identifies events – it searches for bright objects which move in a straight line. It has some filters, e.g. to reject objects which move too slow. Still, it may detect not only fireballs, but also airplanes or other things. All detections – typically a few per night – are directly sent to a server in Paris, France. There the data from all French, Belgian, and German cameras is collected. An ‘event’ is generated when 3 or more cameras have detections at the same time.

The direct connection to Paris is the reason that the computer cannot be accessed directly – this would violate the security rules, as it might allow hackers to enter the French network. The system sends out email messages once per day, summarizing all events which have been created in the last night. It should also compute the trajectory relative to the ground, the orbit, and potential locations for meteorites. This last part, however, is not yet fully operational.

Status in the Netherlands

To get acquainted with the FRIPON system, we installed a camera on top of ESA’s technology center ESTEC, in Noordwijk, Zuid-Holland. The already mentioned software security regulations exist also at ESA. Therefore, we initially had issues to connect to the Paris network. We finally installed the router in a ‘de-militarized zone’ in our science network. Private networks seem to have no problem – we managed to install and connect the second camera in Oostkapelle within a few hours in an afternoon in November 2017.

These are the two cameras currently in operation in the Netherlands. Figure 3 shows the location of the two stations in green. In addition to Klaas Jobse, who hosts the station in Oostkapelle, we have agreements with Felix Bettonvil (Dwingeloo), Jos Nijlands (Benningbroek), Arnold Tukkers (Lattrop) and Sebastiaan de Vet (Tilburg) to host additional cameras. One camera, funded by the University of Oldenburg, Germany, has been set up in Groningen. We are still looking for hosts for a few more stations. From an internal ESA grant, we have received funding to purchase a few more cameras and additional hosts are still needed. If somebody is interested in Gelderland, contact me! After this  initial expansion, we would like to add additional cameras roughly at the transparent-yellow locations on the map.

Figure 3: Existing and planned camera stations. Green: cameras in place; orange: to be installed in 2018. Yellow/transparent yellow: host still needed.

The first large fireball which we have recorded happened just before my presentation of the camera at last year’s International Meteor Conference, on 21 September 2017 (Figure 4, see also this web article). Before that, we had seen three faint events, always together with the camera in Brussels and one or two other stations in Belgium. However, for a fireball to be observable from both Brussels and Noordwijk it has to be about half way between the two stations and will be low on the horizon from both. Oostkapelle is in a much better distance of about 100 km and we now expect typically one to two fireballs per month.

Figure 4: Fireball over ESTEC on 21 Sep 2017. This event was also recorded by the FRIPON cameras in Brussels/Belgium and Lille/France.

Open points

The cameras are operated in a ‘hands-off’ manner, i.e. the host doesn’t really need to do anything. All the detection and event correlation are done automatically. Still, typically the hosts – like the authors – are interested in accessing the data of their camera directly. Sometimes people ask ‘did you see anything at time xx:xx’ and it would be nice to quickly check the data. While this is possible, logging in via the French server and transferring data is tedious. We are currently setting up a system where all data of the Dutch stations is pushed to an ftp-server hosted at ESA. We are in the process of testing the system, but it is not yet operational.

As mentioned before, the more detailed parts of the software, e.g. the computation of the orbit or prediction of potential meteorite fall areas are not yet final and not yet easily accessible. Together with two Ph.D. students working at the University of Oldenburg, we are involved in the data processing and preparing scientific data analysis routines. In particular we are interested in being quickly informed in a fireball before we read about it in the news.

Summary

FRIPON-NL is in the process of being set up. Currently, two cameras are operational, with 3 more where hosts have been identified. Funding for more cameras is available. Once installed, the network will link together the French and Belgium cameras with those in northern Germany.

The cameras have demonstrated that they can detect fireball events. The data processing – computing the trajectory relative to the Earth, orbits, and possible meteorite fall locations – still needs to be finalized by our French colleagues. ESA is involved from a scientific point of view and to be able to get fast alerts after a fireball has happened.

The cameras have shown to be robust and reliable, and we expect to be able to cover the complete Netherlands by 2019. The network is very complementary to e.g. the CAMS system, which is optimized for fainter meteors, or the three cameras of the German ‘EN’ network which give better positional accuracy but no time information.

We are looking for a few more hosts for cameras, so if you are interested in providing scientifically useful data, please contact the authors.


Detlef Koschny and Andrea Toni work at the Meteor Research Group of the Science Support Office of the European Space Agency, situated at its technical establishment ESTEC in Noordwijk, The Netherlands

Lees hier de Nederlandstalige vertaling van dit artikel.