De vergeten Nederlandse bijdrage aan de eerste interpretaties van Meteor Crater in Arizona

Door: John W.M. Jagt

Op het Colorado Plateau in de Amerikaanse staat Arizona ligt Meteor Crater, wereldwijd een van de meest bekende inslagkraters. Veel minder bekend is dat de Nederlander Marten Edsge Mulder, een professor in de oogheelkunde in Groningen, met zijn onderzoek aan het begin van twintigste eeuw aan de wieg stond van de huidige inzichten over de inslagprocessen die dit soort kraters vormen.

Professor Grzegorz Racki (Faculteit Aardwetenschappen van de Universiteit van Silesië, Sosnowiec, Polen) speurt al een aantal jaren het internet af, op zoek naar vroege (pre-1925) wetenschappelijke verhandelingen over inslagkraters, zowel op de Maan als op Aarde. Daarbij maakt het hem weinig uit wat de studies precies betogen: dat kan gaan van het mechanisme van de inslag zelf tot aan de gevolgen van de inslag op het (fossiele) planten- en dierenleven. Inmiddels is hij daarin heel bedreven geraakt en heeft al menig, doorgaans niet-Engelstalig artikel, en daarmee ook de auteurs, aan de vergetelheid ontrukt (Racki et al., 2014, 2018; Jagt-Yazykova & Racki, 2017; Racki, 2019; Racki & Koeberl, in druk). Eén van deze publicaties staat hieronder centraal, naar aanleiding van een artikel dat begin 2018 verscheen (Racki et al., 2018). Deze tekst is een uitgebreidere versie van een eerder verschenen artikel (Jagt et al., 2018) over Mulder in de Geo.brief over de eerste inslagstructuur van een meteoriet op Aarde die als zodanig werd erkend.

Geologische gemoederen

Al sinds de ontdekking in 1891 heeft Meteor Crater (ook wel Barringer Crater, Coon Mountain, Coon Butte en Canyon Diablo genoemd) op het woestijnachtige Colorado Plateau in de Amerikaanse staat Arizona, de gemoederen stevig beziggehouden. Niet in de laatste plaats had dit te maken met winstbejag, want er was al bekend dat ijzermeteorieten diamanthoudend konden zijn. Met name Daniel Moreau Barringer (1860–1929) uit Philadelphia, zowel zakenman/advocaat als mijningenieur/geoloog, was ervan overtuigd dat commerciële winning van edelmetalen zoals platinum, nikkelijzerverbindingen en van diamantjes dieper in de bodem van de krater mogelijk was (vgl. Reimold et al., 2005). Met zijn ‘Standard Iron Company’ rekende hij zich al rijk, ofschoon aan het begin van de 20ste eeuw het proces van kratervorming door meteoren en het al dan niet uit elkaar spatten daarvan nog lang niet was doorgrond. Barringer ging uit van een niet-explosieve inslag. Andere geologen in de Verenigde Staten gingen daarin niet mee. Zij dachten eerder aan een vulkanische oorsprong van de krater als gevolg van een stoomexplosie in de aardkorst, vergelijkbaar met de ‘Maaren’ in de Duitse Eifel.

Satellietfoto van de Meteor Crater in Arizona (foto: Wikimedia [NASA Earth Observatory)

Oogheelkundige werpt blik op inslagkrater

In november 1909 woonde Marten Edsge Mulder, professor in de oogheelkunde aan de Universiteit van Groningen, een lezing van ir. Albert Kapteyn over ‘Vogelvlucht en vliegmachines, zwaarder dan de lucht’ bij. Kapteyn’s experimenten met betrekking tot het spreiden van druk op een bolvormig lichaam leidden bij Mulder tot een soort aha-erlebnis. Thuis ging hij daarna zijn eigen testjes uitvoeren.

In 1911 berichtte hij uitvoerig hierover in een geïllustreerd artikel in ‘De Ingenieur’, het blad van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (Mulder, 1911). Mulder was het niet eens met Barringers notie van een niet-explosieve vorming van de inslagkrater in Arizona, en  kwam met een origineel model van het explosieve proces van meteoren. Hij toonde aan dat de leidende zijde van de meteoroïde eerst komvormig uitgehold werd op zijn weg door de dampkring. De gassen die hierin warden samengedrukt zouden er dan later voor zorgen dat de meteoroïde met veel geweld (als een bom) uit elkaar zou spatten, in de lucht of – als hij groot genoeg was – wanneer hij met het aardoppervlak in aanraking kwam. [Een interessante parallel met deze hedendaagse studie. Red.] Op basis van deze redenering nam Mulder aan dat er heel weinig, of zelfs geen, nikkelijzermassa in de Meteor Crater te vinden zou zijn. Kortom: mijnbouw zou een onderneming zijn die tot falen gedoemd was. Had Barringer maar naar Mulder geluisterd.   

Mulder ging dus uit van een explosieve impact die resulteerde in de Meteor Crater in Arizona. Bij dit soort inslagen verdampt of smelt het projectiel grotendeels en uitgeworpen debris zal een strooiveld vormen rond de inslagkrater. Onafhankelijk van de hoek waaronder de inslag plaatsvindt, zal dit altijd een ronde structuur opleveren; de doorsnede daarvan is meestal groter dan 100 m, en soms tot circa 160 km. De snelheid bij het inslaan zal voor steenmeteorieten meer dan 2 km per seconde bedragen; voor ijzermeteorieten is dat rond 4 km per seconde.

Genegeerde impact

Marten Edsge Mulder (1847–1928) de man achter de vergeten Nederlandse bijdrage aan de eerste interpretaties van Meteor Crater in Arizona. Foto: Rijksuniversiteit Groningen, R. ter Sluis.

Mulders artikel is daarna amper geciteerd, met uitzondering van een paar Duitse tijdschriften zoals ‘Astronomischer Jahresbericht’ (en zelfs vertaald in die taal) en van Niermeyer (1913). Niermeyer ging zelfs een stap verder; hij hield er serieus rekening mee dat de krater ontstaan zou kunnen zijn na een forse aardbeving omdat ronde gaten en zand-/modderkegels wel vaker waren gezien na een dergelijke seismische gebeurtenis. Dat het 1911 artikel zich niet in een wijde verspreiding mocht verheugen, heeft zo goed als zeker te maken met de taalbarrière en de geringe distributie van dit soort tijdschriften. Door Amerikaanse wetenschappers is het 1911 artikel zo goed als volledig genegeerd; dat aspect is door Hoyt (1987) later toegelicht. We mogen nu wel stellen dat Mulder gezien kan worden als diegene die het concept van een explosief model voor Meteor Crater wetenschappelijk onderbouwde.  

Pas later, in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw, werd zijn innovatieve werk door anderen op een hoger plan getild door de invoering van een ‘impact model’ met een rationele mechanische basis en nadruk op de kinetische energie van een kosmisch projectiel. In dat opzicht schaart Mulders artikel uit 1911 zich onder hypotheses die hun tijd ver vooruit zijn.

Marten Mulder heeft eindelijk de plek gekregen die hij binnen de ‘impact geology’ verdiend heeft.

Het onderzoeksartikel ‘A Dutch contribution to early interpretations of Meteor Crater, Arizona, USA – Marten Edsge Mulder’s ignored 1911 paper‘ dat in 2018 in de Proceedings of the Geologists’ Association verscheen, heeft Marten Mulder nu eindelijk de plek gegeven die hij in de ‘impact geology’ verdiend heeft. Het is te hopen dat zijn observaties nu aangehaald zullen worden in overzichtswerken over meteorietinslagen op Aarde (vgl. Glass & Simonson, 2012).

DANKWOORD

Grote dank aan Rolf ter Sluis (Rijksuniversiteit Groningen) voor toestemming voor gebruik van het portret van Marten E. Mulder, en aan Denise Maljers (TNO/Geologische Dienst, Utrecht) voor instemming voor het hergebruik van delen van de tekst in de Geo.brief (Jagt et al., 2018).


John W.M. Jagt is werkzaam bij het Natuurhistorisch Museum Maastricht, de Bosquetplein 6-7, 6211 KJ Maastricht; email: john.jagt@maastricht.nl


Referenties
  • Glass, B.P. & Simonson, B.M., 2012. Impact crater formation, shock metamorphism, and distribution of impact ejecta. In: Distal impact ejecta layers. Impact studies, pp. 15–75. Springer-Verlag, Berlin/Heidelberg, doi: 10.1007/978-3-540-88262-6_2
  • Hoyt, W.G.,1987. Coon Mountain controversies – Meteor Crater and the development of impact theory, 455  pp. University of Arizona, Tucson.
  • Jagt, J.W.M., Jagt-Yazykova, E.A., Racki, G. & Koeberl, C., 2018. Meteor Crater. De Nederlandse bijdrage. Geo.brief, 43 (4), 14–15.
  • Jagt-Yazykova, E.A. & Racki, G., 2017. Vladimir P. Amalitsky and Dmitry N. Sobolev – late nineteenth/early twentieth century pioneers of modern concepts of palaeobiogeography, biosphere evolution and mass extinctions. Episodes, 40, 189–199.
  • Mulder, M.E., 1911. De explosie van meteoren en het ontstaan van den meteoorkrater van Canyon Diablo. De Ingenieur, 26 (39), 880–885.
  • Niermeyer, J.F., 1913. Kraters in sedimentair gesteente in Arizona en Nieuw-Mexico. Handelingen van het XIVde Nederlandsche Natuur – en Geneeskundig Congres, gehouden te Delft op 27, 28 en 29 maart 1913, pp. 430–436.
  • Racki, G., 2019. Between Gilbert and Barringer: Joseph A. Munk as unknown pioneer of the meteorite model and geotourist exploitation of Coon Mountain (Arizona). The Journal of Geology, 127, doi: 10.1086/701516
  • Racki, G., Koeberl, C., Viik, T., Jagt-Yazykova, E.A. & Jagt, J.W.M., 2014. Ernst Julius Öpik’s (1916) note on the theory of explosion cratering on the Moon’s surface – the complex case of a long-overlooked benchmark paper. Meteoritics & Planetary Sciences, 49, 1851–1874, doi: 10.1111/maps.12367
  • Racki, G., Jagt, J.W.M., Jagt-Yazykova, E.A. & Koeberl, C., 2018. A Dutch contribution to early interpretations of Meteor Crater, Arizona, USA – Marten Edsge Mulder’s ignored 1911 paper. Proceedings of the Geologists’ Association, 129, 542–560, https://doi.org/10.1016/j.pgeola.2018.05.005
  • Racki, G. & Koeberl, C., in druk. In search of historical roots of the meteorite impact theory: Franz von Paula Gruithuisen as the first proponent of an impact cratering model for the Moon in the 1820s. Meteoritics & Planetary Sciences, doi: 10.1111/maps.13280
  • Racki, G., Viik, T. & Puura, V., 2018. Julius Kaljuvee, Ivan Reinwald, and Estonian pioneering ideas on meteorite impacts and cosmic neocatastrophism in the early 20th century. BSGF – Earth Sciences Bulletin 2018, 180002, 22 pp. https://doi.org/10.1051/bsgf/2018011
  • Reimold,  W.U., Koeberl, C., Gibson, R.L. & Dressler, B.O., 2005. Economic mineral deposits in impact structures: a review. In: Koeberl, C. & Henkel, H. (eds). Impact tectonics, pp. 478–552. Springer-Verlag, Berlin/Heidelberg.

Jaaroverzicht 2018

Terwijl op oudejaarsdag de uren en minuten langzaam wegtikken naar 2019, blikken we voor meteoorminnend Nederland terug op enkele hoogtepunten en bijzondere ontwikkelingen van het afgelopen jaar.

Het jaar 2018 was wederom een interessant jaar voor liefhebbers van meteoren, vuurbollen en meteorieten. Op verschillende manieren vielen deze fenomenen weer op naast de gebruikelijk waarneemactiviteiten. Als we een aantal hoogtepunten van het afgelopen jaar op een rij zetten, zien we óók dat dit jaar qua fenomenen erg divers was.

In het voorjaar werden er bijvoorbeeld weer mooie lichtende nachtwolken of ‘noctilucent clouds’ (NLCs) door verschillende waarnemers gesignaleerd. Het verschijnsel ontstaat door fijnstof hoog in de atmosfeer dat onder meer afkomstig is van meteoren.

De Perseïden maakten weer hun opwachting en op veel plekken werd een poging genomen om ze waar te nemen, zo bleek uit ons overzicht. Bewolking bleek in Nederland de grote spelbreker tijdens het maximum van de Perseïden. Vanuit het buitenland konden Nederlandse meteoorwaarnemers het Perseïdenmaximum tijdens de maximumnacht wel goed waarnemen van de donkere berg Debelo Brdo in Servië. 

Een jaar vol lustrums

Zelden vallen er in één jaar zoveel bijzondere lustrums samen als in 2018. Zo was het op 1 mei j.l. precies 75 jaar geleden dat de illustere voorganger van de Werkgroep Meteoren, de Astroclub, werd opgericht. Daarnaast was het op 7 augustus, ook 65 jaar geleden dat de allereerste meteorenfoto in Nederland werd gemaakt door Machiel Alberts met een zelfgebouwde meteorencamera. De camera is tegenwoordig voor het publiek te bezichtigen in de we tentoonstelling van sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht. Volgend jaar zullen we meer bekend maken over het plan om een speciale fotografieprijs in te stellen, de ‘Alberts Award‘, als aanmoedigingsprijs voor de meteoorfotografie.

Er was in 2018 overigens nóg een bijzonder jubileum te vieren. Namelijk het 175-jarig jubileum van de grootste meteoriet van ons land. Op 2 juni 1943 vond een meervoudige meteorietinslag plaats waarbij twee meteorieten neervielen in de weilanden nabij de stad Utrecht. Ter gelegenheid van dit ‘inslaglustrum’ werd er in samenwerking met sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht een speciaal meteorietenweekend georganiseerd.  Mede dankzij een 3D-model dat gemaakt is van het grootste fragment, de Blaauwkapel, konden het Loevenhoutje voor het eerst na de inslag weer met zijn wederhelft worden herenigd. Daarnaast organiseerden we met Sonnenborgh een mini-expo en een bijzonder avondprogramma op 2 juni, en was er op zondag 3 juni een speciale science show over meteoren en meteorieten en kans om tijdens het meteorietenspreekuur deskundigen van het Meteoriet Documentatie Centum te spreken.

De grootste meteoriet van Nederland. Op 2 juni 1843 sloegen twee fragmenten van deze
meteoriet in nabij de stad Utrecht. Dit is het Loevenhoutje, de kleinste van de twee. Foto: Sebastiaan de Vet

De Foo Fighters vuurbol

Op zaterdagavond 16 juni verscheen een vuurbol omstreeks 23:11 in de diepe schemering. De vuurbol was een extra opvallende verschijning omdat van de bolide tijdens het optreden van de Foo Fighters langs Pinkpop scheerde. Al werd deze door sommigen omgedoopt tot de “Pinkpopvuurbol”, wij vinden Foo Fighters Vuurbol toch iets beter allitereren. Ruim 200 ooggetuigen gaven via het internationale vuurbolmeldpunt hun waarneming door.  

Werkgroeplid Felix Bettonvil legde een paar dagen later, op 29 juni ook een mooie vuurbol vast met de HHEBBES meteorencamera. Hiervan kwamen eveneens ruim 200 meldingen binnen bij het internationale vuurbolmeldpunt van de IMO, waarvan een groot aantal via de website van de Werkgroep Meteoren werden doorgegeven. In de BeNeLux blijkt het algemene publiek bijzonder goed bedreven in het melden van vuurbollen via de meldpunten. 

Heatmap van vuurbolmeldingen. Na de verschijning van de ‘Foo Fighters vuurbol’ op zaterdag 16 juni omstreekt 23:11 zijn er bij het internationale vuurbolmeldpunt zo’n 200 meldingen binnengekomen.

Nieuws over technieken

Op de website hadden we ook mooi gastbijdragen van nieuwe waarneemtechnieken geschikt om meteoren en vuurbollen vast te leggen, zoals een alternatief voor een all-sky camera van Marco Verstraaten. Ook was 2018 het jaar dat het FRIPON-NL netwerk eindelijk gestalte aanneemt met de uitbreiding tot een landelijk dekkend waarneemnetwerk over heel Nederland. Internationaal staat het waarnemen van vuurbollen ook hoog op de agenda van amateurwaarnemers, dat bleek tijdens de jaarlijkse Internatinoale meteorenconferentie (IMC) die dit jaar in Slowakije plaatsvond, niet ver van Wenen en nét na de General Assembly van de International Astronomische Unie (die in 2019 haar eeuwfeest viert). Lees hier de terugblik. En wie zelf eens iets aan slijpplaatjes van meteorieten wilt ontdekken, kreeg een mooi tip voor een budget-opstelling om slijpplaatjes te bekijken.

Van historische tot kunstmatige meteoren

Naast de actualiteit waren er ook gastbijdragen die terugblikten op historische ontwikkelingen in de meteoorastronomie zoals een ‘Zonderling lugtverschijnsel’ dat de republiek in rep en roer bracht, het verhaal over een heldere meteoor in 1850, er doken unieke polygoonbeelden van de Werkgroep Meteoren op uit 1952 en we ontdekten meer over het waarnemen van kunstmatige meteoren in 1957 en de nabije toekomst

Kom jij in 2019 ons bestuur versterken?

Begin van 2018, tijdens de ALV in februari, werd het voorstel door de leden aangenomen om een nieuwe secretaris van de Werkgroep in te stellen. Na deze bestuursmutatie is er nog altijd een vacature beschikbaar in het bestuur voor een algemeen bestuurslid, bijvoorbeeld voor iemand met interesse en ervaring in fotografie, visueel waarnemen of gewoon iemand die ook gefascineerd is door meteoren. Geïnteresseerd? Neem dan contact op met het bestuur.

Het bestuur van de Werkgroep Meteoren wenst je een fijne jaarwisseling en een stralend nieuw jaar met prachtig kosmisch vuurwerk!

‘Zonderling lugtverschijnsel’ bracht republiek in rep en roer

Ruim twee eeuwen geleden zorgde een heel heldere meteoor of vuurbol met een langdurig nalichtend spoor voor flink wat opschudding in ons land.

Nederland heette toen de Bataafse Republiek en het was nog een tijd dat zich hoog boven de hoofden van onze voorouders lucht- en lichtverschijnselen voordeden die niemand goed begreep. Een vallende ster was zo’n verschijnsel. Er bestonden wel theorieën volgens welke de oorzaak van dit fenomeen buiten de aarde moest worden gezocht, maar bewijzen waren er nog niet. Pas in de loop van de negentiende eeuw begonnen de geleerden de ware aard van meteoren te doorgronden.

Op woensdagavond 23 oktober 1805 werd de drost van het elfde drostambt van Friesland (Menaldumadeel, Het Bilt en Ferwerderadeel) opgeschrikt door een “zonderling lugtverschijnsel”. De drost heette Daniël Hermannus Beucker Andreae,  Hij gaf een zakelijke weergave van zijn waarneming  en waagde zich niet aan een verklaring:

 “23-10 [-1805] ’s av. tusschen 7 en 8 uur vertoonde zich een zonderling lugtverschijnsel, door mij zelfs gezien digt bij Harlingen, doch niet in ’t begin. In ’t eerst was het even een zich zeer snel bewegende vuurbal of liever een vurige lijn, gevende een uitnemend helder ligt van zich, zoo dat alles meer verligt was als volle maan, weldra deelde zich deze lijn in twee evenwijdige allengs weer meer zich krommende als een S, bij na int zenith war het ligt langszaam verflauwde, veel hebbende van den glans van het noorderligt, of flauwe phosphorische damp, war door heen men de starren kon zien, ’t wierd eindelijk een klein wolkje of vlokje, doch heeft van ’t begin af wel een groot quartier zeer zichtbaar geweest in de hele republiek, waaruit blijkt dat het in ’t allerhoogste deel der dampkring heeft plaats gehad.

Ook Bartholomeus Doorenweerd wist niet wat hem op die woensdagavond 23 oktober 1805 overkwam toen hij getuige was van het vurige verschijnsel aan het firmament. Hij was de pastoor van Emmeloord, destijds een dorpje op het eiland Schokland in de Zuiderzee, hemelsbreed 65 kilometer van Harlingen verwijderd. Doorenweerd schreef er het volgende over in zijn Pastoraal Handboekje:

Ik ben wel geene bijgelovige aanschouwer der natuurverschijnzelen, dog hij die de geheele natuur in zijne magt heeft kan dezelve na zijn welgevallen gebruiken. Het ontbreekt in de geschiedenissen aan geene voorbeelden, dat buitengewoonlijke luchtsvernevelingen van God tot voorbetekenissen en waarschouwingen gediend hebben. 

Het mogte eens zóó zijn, dan verdiend het geweeten te worden, dat ik den 23 october dezes 1805, iets over zeven uuren ‘s avonds, te Emmeloord een vurig luchtverschijnzel zage. De wind was oost‑noord‑oost, de hemel zeer helder, de koude koelde. Een vuurstraal kwam met den wind over, zettende zich boven Emmeloord, hadt aan het westelijke einde een groote vuurkring, die een kop konde verbeelden, en was oostwaards in gekronkeld, zoodat het een vuurdraak kan genoemd worden. Het verdween in eene lichte wolkje.

God behoede deze Gemeente van pest en brand! Geeve zijnen volke Godsdienstige harten. Dat luchtverschijnzel moet ongemeen hoog in den dampkring geweest zijn, dewijl het niet alleen bijna door de geheele Republiek gezien is, maar ook veele menschen, die eenige uuren van elkanderen af waaren, het als recht boven hunne hoofden gezien hebben.

Merkwaardig luchtverschynsel, of vuurbol op 23 oktober 1805. Klik op de afbeelding voor de volledige afbeelding van de pagina.

Meer verslagen van de vuurbol

In de dagen en weken na 23 oktober 1805 verschenen in de couranten en andere publicaties berichten over de vuurbol. De correspondent van De Haagsche Courant in Duitsland meldde op 4 november 1805:

“Verleden woensdag den 23 dezer, hadden wy alhier te Hamburg in den avond omstreeks zeven uuren, een schoon luchtverschynsel, namentlyk, er vertoonde zich aan de zichteinder een groote vuurbol, die met een sterke slag uit een berstte, en daar door een zeer lange slangswyzen vuurstaart formeerde, die naa de uitbersting over de tien minuten zichtbaar was.” De redactie van de courant voegde hieraan toe: “Men heeft alhier in den Haag op dienzelfden dag en omstreeks dezenzelfden tijd, iets dergelyks buitengewoon in het Noord-Oosten aan den luchthemel in een kleine wolk, vry hoog boven den horisont gezien.

In een andere publicatie werd uitvoerige stilgestaan met het “Merkwaardig luchtverschynsel of vuur-bol, welke op den avond van den 23sten october 1805, te Amsterdam, en op vele andere plaatsen is gezien geworden, en waar van duizenden menschen ooggetuigen zyn geweest.

In deze uiteenzetting wordt de lezer gewaarschuwd tegen bijgeloof dat nog volop tierde over tekens aan de hemel. Bijgeloof waaraan zelfs pastoor Bartholomeus Doorenweerd zich schuldig maakte. Uitgelegd wordt dat kometen en luchtverschijnselen, zoals vuurbollen, net zo goed voortbrengselen zijn van de natuur als de Nieuwe en Volle Maan of wind en regen. Waarachtige Christenen moeten zich niet gedragen als bijgelovige heidenen. De goedertieren God gebruikt immers geen ‘onwisse’ en twijfelachtige middelen of wondertekens om de mensen te waarschuwen.

Als voorbeeld werd een komeet genoemd die hier was verschenen; er gebeurde niets merkwaardigs, maar na enige tijd brak in ons land de veepest uit. Was die ziekte een gevolg van de komeet? De komeet had zich aan “alle volken der aarde” vertoond, maar hebben al die volken ook de veepest gehad? Inderdaad, zo was de conclusie, dit is een te zotte vraag om er ook maar een moment bij stil te staan.

De schrijver legde uit, dat de vuurbol van 23 oktober 1805 een gewoon luchtverschijnsel was, dat alle overeenkomsten heeft met de zogenaamde vallende sterren, die heel vaak te zien zijn. Ze zijn van dezelfde aard, doch verschillen in grootte “want indien het vurige verschynsel der vallende of verschietende sterren eenige malen grooter was, dan het gewoonlyk is, zoude het ook een helder en glansryk licht van zich geven, en in een heldere lucht rondöm zich verspreiden, en die meerdere groote en snelle beweging, zou noodwendig, een grooter tegenstand der lucht ontmoeten, en daar door allerlei kromme en slangsgewijze gedaanten vertoonen, net zoo als by het groote luchtverschynsel is gebeurd.” In deze publicatie werd ook in het kort verwezen naar andere vuurbollen:

Den 8 Maart 1798, te Geneve in Zwitserland, een verbazend groote vuurbol, die een helder licht en veele vonken van zich gaf.

Den 6 november 1803. Zag men in het naburige Engeland, des avonds half 9 uuren een merkwaardig groote vuurbol, zo sterk van glans; dat het volkomen helder dag geleek; dit verschynsel scheen veele vonken en vuurvlammen uit te braken.

Behalven deze, zoo groote vuurbollen, zouden wy nog van eene menigte andere kunnen verhalen: als te Roquefort 1 en L ‘Aigle 2 in Frankrijk enz. en waarlyk er gaat geen jaar voorby, of men ziet zoo hier als elders verscheidenemale vurige verschynsels.

De publicatie bevat een ‘toe-zang’ of vers, waarin de dichter, geïnspireerd door de vuurbol, de spot drijft met bijgeloof. Hier volgen de laatste drie coupletten van dat vers:

Wat Luchtverschynsel zag men niet
In stille Vredens dagen;
Hoe menig onverwagt verdriet
Kwam zonder voorboo plagen!
Of heeft men in den Sterrekring,
Toen Lissabon ten gronde ging 3,
Ook al voor af gelezen,
Wat ramp er stond te vrezen?

Nog nader ! toen het Oorlogsvuur
Onlangs Noord-Holland blaakte 4,
Zeg my, welk wonder der Natuur
Zulks vooraf kenbaar maakte!
Ach! Had gy toen zoo’n bol gezien,
Dan had de Landman kunnen vliën,
Dan konden dankb’re toonen,
Den Ramp-voorspeller lonen.

Neen! Zoekt geen nad’rend ongeval
Aan ’t Lucht-gewelf te lezen;
Maar dank den Schepper van ’t Heeläl
Voor ’t goede ons nog bewezen:
Toont dat gy braaf en eerlyk denkt;
Weest dapper als de nood u wenkt;
Zoo hoor’ GOD onze beede,
En schenke ’t Menschen VREDE!.

De verhandelingen in de artikelen geven een intrigerend inzicht in de beleving van de hemelverschijnselen die wetenschappelijk nog niet op dezelfde wijze doorgrond werden als vandaag de dag.

Voetnoten:

1 Meteorietdropping nabij Roquefort, Zuid-Frankrijk, 24 juli 1790
2 Meteorietenregen in L’Aigle, Normandië, 26 april 1803
3 op 1 november 1755 werd Lissabon vrijwel geheel verwoest door een aardbeving, gevolgd door brand en een tsunami.
4 Mogelijk bedoeld de (mislukte) Brits-Russische militaire invasie van Noord-Holland (1799) gericht tegen Frankrijk, waarvan de Bataafse Republiek een vazalstaat was.

Bronnen:
  • Aantekeningen Daniël Hermannus Beucker Andreae (uit Almanakken in Museum van Haren, Heerenveen);
  • Pastoor B. Doorenweerd, ‘Pastoraal Handboekje of verzameling van gedagten, waarneemingen en gebeurtenissen, dienstig voor eenen Harder der Gemeente’, blz. 371‑373;
  • Bruno Klappe, Schokker Erf 58, januari 2005;
  • De Haagsche Courant, 4 november 1805;
  • ‘Merkwaardig luchtverschijnsel, of vuurbol, welke op den avond van den 23sten october 1805 te Amsterdam, en op veele andere plaatsen is gezien geworden, en waar van duizende menschen ooggetuigen zijn geweest, Volume 1’, uitgever M. van Kolm, 1806, Koninklijke Bibliotheek.

 


Tekstbijdrage: Urijan Poerink

Eerste meteorencamera van Nederland

Op 7 augustus 2018 is het 65 jaar geleden dat in Nederland de eerste meteoor werd gefotografeerd. De camera waarmee dit gebeurde, wordt in het meteorietenweekend van 2-3 juni tentoongesteld.

Eigenhandig ontwierp en bouwde Machiel Alberts in de jaren na WOII een fotocamera om er meteoren mee te bestuderen. Van de Utrechtse astronoom Kees de Jager kreeg Alberts hiervoor verschillende lenzen, om er de beste van uit te kiezen. Vervolgens bouwde hij een camerabehuizing voor een 6×9 cm filmcassette die hij voorzag van een vizier om de camera op de hemel te richten. Het innovatieve van het ontwerp zit in de ‘vlinder’ die Alberts in de camera integreerde. Dankzij het ingebouwde elektromotortje draait de vlinder, zodat de rondraaiende schijf de belichting van de film onderbreekt. Het meteoorspoor wordt hierdoor in streepjes op de foto afgebeeld, waarmee de snelheid van de meteoor bepaald kan worden. De camera van Alberts heeft naast zijn historische ook een symbolische waarde, vooral voor de creatieve kant van het meteooraarnemen. Het tinkeren aan foto- en meetopstellingen is immers nog altijd onlosmakelijk verbonden met deze hobby.

Meteoorwaarnemer Machiel Alberts (foto ca. 1967). Alberts is hier gezeten achter zijn zelfgebouwde meteorencamera, waar de ronddraaiende vlinder en het vizier van de camera goed zichtbaar zijn.

Tentoonstelling tijdens meteorietenweekend

Op 7 augustus 1953 slaagde Alberts er in om met zijn zelfgebouwde camera de eerste foto van een meteoor te maken. In het meteorietenweekend van 2-3 juni staan we daarom ook alvast stil bij het 65-jarig jubileum van de eerste meteorenfoto. Dat doen we o.a. met de expositie van de Alberts-camera, die dan voor het eerst door het publiek te bekijken is. Kom langs en laat je inspireren door de ontwikkeling van de meteoorfotografie in de decennia daarna. Alle details over de activiteiten in het Utrechtse meteorietenweekend zijn online te vinden op:

www.sonnenborgh.nl/meteorietenweekend

LEES VERDER:

Polygoonjournaal uit 1952 belicht de Werkgroep Meteoren

Unieke bewegende beelden uit de eerste jaren van de Werkgroep Meteoren zijn terug te zien in een polygoonjournaal uit 1952. Het journaal doet verslag van de werkzaamheden van de Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde.

Het polygoonjournaal was een bioscoopjournaal waarin Nederlandse onderwerpen van een bepaalde week werden gepresenteerd. Op 1 september 1952 publiceerde het een polygoonitem over de “Werkzaamheden van de Nederlandse Vereniging voor Weer- en Sterrenkunde”, waarin de waarnemingen van de Werkgroep Meteoren ook kortstondig belicht worden. De unieke bewegende beelden stammen uit de eerste jaren van de vereniging en geven een mooi beeld van het meteoorwaarnemen in die tijd.

Naast de waarnemers die kijken naar ‘het verschieten van een ster’ besteedt het polygoonjournaal met het karakteristieke stemgeluid ook aandacht aan de werkgroep Kijkerbouw en waarneemactiviteiten van amateur-sterrenkundigen. Bekijk het gehele polygoonitem (duur: 1:25 minuten) op de website van Open Beelden:

https://www.openbeelden.nl/media/669737

Tekenen op een sterrenkaart

Een opvallend detail is de gnomonische sterrenkaart waarop de meteoorwaarnemer een meteoor intekent (rond 00:14). Deze sterrenkaart die werd in jaren ’40 speciaal vervaardigd voor de Werkgroep en geeft een ‘vertekend’ beeld van de sterrenhemel. Deze kaartprojectie is bewust gekozen omdat je hierdoor meteoren als rechte lijnen kunt tekenen. Exact dezelfde kaart (no.1) als die in het polygoonjournaal kun je nog altijd gebruiken voor het intekenen van meteoren. Een pdf-bundeling van de gnomonische sterrenkaarten van de Werkgroep Meteoren hebben we eerder dit jaar online beschikbaar gemaakt op onze website. Het zou clichématig zijn om nu te stellen dat oude tijden kunnen herleven; meteoren tekenen is immers nog net zo actueel en leuk om te doen als toen!

Sterrenkaart No. 1 van de Werkgroep Meteoren in het polygoonjournaal. In dit frame (links) van het polygoonitem is duidelijk de sterrenkaart te zien waarop de meteoor wordt ingetekend. Rechts de oorspronkelijke kaart die ook in anders shots prominent in beeld komt. Deze sterrenkaarten voor meteoorwaarnemers zijn tegenwoordig digitaal beschikbaar op de website van de Werkgroep.

Over Open Beelden

De website Open Beelden is een open mediaplatform dat toegang biedt tot audiovisuele collecties die eenvoudig hergebruikt kunnen worden. De website is een initiatief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in samenwerking met Stichting Nederland Kennisland. Op Open Beelden zijn momenteel ruim 1300 Polygoonitems uit het archief van Beeld en Geluid te vinden.

Meer lezen: