Vuurbol op 28 juni: wat weten we dusver?

Op vrijdagavond omstreeks 21:30 verscheen in de vroege schemering een heldere vuurbol boven Nederland. Ruim 500 mensen maakten tot nu toe melding van het fenomeen bij het vuurbolmeldpunt. Opmerkelijk was dat de vuurbol gepaard ging met supersonische knallen. Deskundigen van de Werkgroep Meteoren doen onderzoek naar het fenomeen.

Ooggetuigen maakten op grote schaal melding van de vuurbol via het vuurbolmeldpunt. Van de 500 binnengekomen meldingen kwam het overgrote deel via de landelijke Werkgroep Meteoren (n=379). Ook kwamen er meldingen uit België en Duitsland. Enkele tientallen waarnemers maakte ook melding van het uiteenvallen (fragmentatie) van de vuurbol. Op basis van een deel van de waarnemingen is er vroeg in de nacht al een eerste analyse gemaakt van het voorlopige traject. Alle online meldingen zijn ook automatisch verwerkt, waarvan het resultaat hieronder te zien is. Enig voorbehoud is dat voor dit grondpad de waarnemingen nog niet zijn gefilterd. 

Een automatisch gegenereerde kaart op basis van 341 waarnemingen die zijn gemeld via het vuurbolmeldpunt van IMO. Op deze ‘hittekaart’ zijn de rode kleuren de gebieden met de meeste waarnemers. Enig voorbehoud is dat voor dit grondpad de waarnemingen nog niet zijn gefilterd.

Oproep: deel camerabeelden

Door de vroege verschijning van de vuurbol waren de cameranetwerken in Nederland nog niet actief. Het hele luchtruim is weliswaar afgedekt, maar er is een bepaalde mate van duisternis nodig om fenomenen vast te leggen. Rond 21.30 was het te licht. Zodoende roepen we het publiek op om camerabeelden in te sturen naar de Werkgroep Meteoren (info@werkgroepmeteoren.nl). Nieuwe beelden kunnen bijdragen aan een betere berekening van het lichtspoor. Dat kunnen foto’s en video’s, maar ook dashcambeelden zijn. Inmiddels lijken ook de eerste filmbeelden van de vuurbol van vrijdagavond te zijn opgedoken.

Achter de schermen hebben de deskundigen van de Werkgroep Meteoren nauw contact met andere meteoorexperts in Nederland en onderzoekers verbonden aan Naturalis en aan de universiteit. Gezamenlijk proberen ze de omstandigheden van de vuurbol in meer detail te reconstrueren. 

Supersonische knallen en infrageluid

Veel mensen die de vuurbal zagen, maakten ook melding van geluiden zoals doffe knallen. Dergelijk geluid is hoorbaar wanneer een object door de geluidsbarrière gaat, het zijn supersonische knallen (‘sonic booms‘). De onderstaande kaart geeft een overzicht waarbinnen de geluidswaarnemingen zijn gedaan door ooggetuigen. Ook bij andere meldpunten kwamen meldingen van het geluid binnen. Extra opvallend is dat dit de eerste na-oorlogse vuurbol is waarbij er op grote schaal supersonische knallen door het land werden gehoord. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1843, toen nabij Utrecht een grote meteoriet insloeg.

Via de Werkgroep Meteoren wordt er ook met een amateur-infrageluidstation waarnemingen gedaan. Infrageluid is het voor de mens onhoorbaar geluid dat vaak gepaard gaat met explosies en supersonische knallen. Het team achter dit station heeft geen detectie van de vuurbol, maar dat is anders bij het meetnetwerk van het KNMI. Prof. Läslo Evers meldt ons dat “er infrageluidssignalen zijn gemeten van deze vuurbol. Het sterkst op instrumenten op vliegbasis Deelen en afnemend in sterkte naar het westen in onder andere De Bilt en Cabauw. Dit duidt op een bron boven oostelijk NL, wat volgens mij conform de visuele waarnemingen is“.

Detailkaart waarop de groene ovaal het gebied omlijnt waarbinnen ooggetuigen geluiden hebben waargenomen en dit hebben aangegeven via het vuurbolmeldpunt. De rode kleuren geven de waarneemdichtheid weer van alle waarnemers. Binnen het omlijnde gebied waren er zo’n 40 meldingen van geluid.

Meteorieten

Het lichtfenomeen noemen we de meteoor of, zoals nu in zeer heldere gevallen, vuurbol. Op sociale media werd veel melding gemaakt dat mensen een ‘meteoriet’ zagen, waar dus het fenomeen van de vuurbol werd bedoeld. Als het object dat de vuurbol produceerde niet helemaal is opgebrand, bestaat de kans dat er restanten zijn ingeslagen. Dat noemen we meteorieten, waarvan er in de afgelopen 200 jaar slechts 6 zijn gevallen in Nederland. Op dit moment zijn er geen meldingen bij het landelijke meteorietenmeldpunt binnengekomen. Het meldpunt werkt nauw samen met experts van onderzoeksinstelling Naturalis. 

Van wat er dusver bekend is over de daglichtvuurbol van 28 juni j.l., moeten vooral inwoners in de noordwestkop van Overijssel alert zijn voor bijzondere stenen. Wat maakt een steen in onze ogen “bijzonder“? Lees alles in onze determinatiehulp en neem bij twijfel contact op met de experts van het landelijke meteorietenmeldpunt.

Op basis van de ooggetuigenverslagen ontvangen via het vuurbolmeldpunt, maakt meteoorwaarnemer Marco Langbroek ook een kaart van de mogelijke eindpunt van de vuurbol. Zonder beschikbaar beeldmateriaal is de onzekerheid van deze zone nog groot en daarom zijn we op zoek naar aanvullend beeldmateriaal om de berekeningen te verfijnen. Kaart: Marco Langbroek
Meer weten?

Gepubliceerd: 29 juni 8:23. Laatste update: 1 juli 19:45

Voorlopig traject vuurbol 28 juni 2019

Bijgaand kaartje geeft een indicatie van het traject van de vuurbol van 28 juni 2019 berekend uit de eerste ooggetuigenverslagen. De vuurbol bewoog vanaf de Duitse grens in ruwweg noordwestelijke richting en doofde in het gebied ten noorden van Zwolle uit, op ruwweg 25 tot 35 km hoogte. De vuurbol was 2-3 seconden zichtbaar.

Het is vrijwel zeker dat het een vuurbol afkomstig van een meteoroïde betrof.

Naarmate meer waarnemingen toegevoegd worden, wordt het resultaat nauwkeuriger, en eventuele foto- en/of video opnames van de vuurbol verhogen de nauwkeurigheid enorm.

Indicatie van het traject van de vuurbol.

Vuurbol verschenen op vrijdag 28 juni 2019 rond 21.30 uur

Op vrijdag 28 juni 2019 rond 21.30 uur is er met grote waarschijnlijkheid een zeer heldere vuurbol verschenen boven Nederland. Op dit moment heeft de werkgroep meteoren via het meldpunt http://werkgroepmeteoren.nl/vuurbol-melden/ al meer dan 200 meldingen uit heel het land ontvangen.

Helaas is door het tijdstip van verschijnen de vuurbol, in de vroege avondschemering, de vuurbol niet vastgelegd door de automatische foto- en filmcamera’s die de hemel gedurende de nacht permanent waarnemen om vuurbollen vast te leggen.

Wellicht zijn er mensen die met mobieltje of dashcam al dan niet per ongelijk foto’s of filmmateriaal van de vuurbol gemaakt hebben. De werkgroep ontvangt graag dit materiaal om op basis van deze gegevens de baan van de meteoor door de dampkring te berekenen. Heeft u materiaal gemaakt wilt u dit dan sturen naar info@werkgroepmeteoren.nl

Bijzonder aan deze vuurbol is dat er ook doffe knallen zijn gehoord. Dat duid erop dat het een flink exemplaar is geweest die vermoedelijk tot diep in de dampkring is doorgedrongen. Op dit moment is hier echter nog veel over onduidelijk.

Lichtende nachtwolken en meteoren, verlichters van de zomernacht

Reikhalzend kijken de kenners in juni en juli iedere heldere avond uit of ze er ook zijn, de ‘lichtende nachtwolken’. De blauwwitte, zilverachtige wolken vertonen soms fraaie golfstructuren en bieden door hun vorm en kleur iets dat de ‘gewone’ wolken in de lagere atmosfeer niet bezitten. Dit seizoen zijn ze ongekend actief. Nachtwolkwaarnemer en luchtvaartmeteoroloog Jacob Kuiper geeft in deze longread een analyse waarom 2019 dé grote kaskraker van de afgelopen jaren lijkt te worden.

Buiten een relatief kleine waarnemersgroep om,  zijn de meeste mensen doorgaans niet of nauwelijks op de hoogte van het bestaan van dit soort wolken. Dat de lichtende nachtwolken niet bij het brede publiek bekend zijn is logisch, want in een gemiddeld zomerseizoen komen ze vaak maar op 2 tot 5 late avonden en/of vroege ochtenden voor. Meestal bevinden ze zich dan ook nog vrij laag boven de noordelijke horizon waar andere objecten ze gemakkelijk aan het zicht kunnen onttrekken. Toch raakt het grote publiek de laatste jaren meer en meer bekend met het verschijnsel. De sterk toegenomen ‘camera-dichtheid’ onder de mensen en het relatief vaak verschijnen van deze bijzondere wolken heeft de onbekendheid teruggedrongen. De weerpresentatoren tonen met enige regelmaat nu op televisie de fraaie wolkenformaties, wat sterk bijdraagt aan de bekendheid van het fenomeen. Maar wat weten we nu eigenlijk over deze wolken? Hoe ontstaan ze en komen ze steeds vaker voor?

Lichtende nachtwolken op 13 juni 2019, omstreeks 00:03 vanuit Steenwijk. Foto: Jacob Kuiper

Stof en ijs vormen spiegeltjes

Lichtende nachtwolken bevinden zich op zeer grote hoogte in de atmosfeer. In de onderste 10 tot 15 kilometer van de dampkring, de troposfeer, vinden we de wolken die we dagelijks meemaken. In de laag daarboven, de stratosfeer, is het droog en vormen zich nauwelijks wolken. In de winter kunnen er in de stratosfeer op heel zeldzame momenten tussen 20 en 30 kilometer hoogte bij zeer lage temperaturen de zogenaamde parelmoerwolken ontstaan. In de nog hoger gelegen atmosfeerlaag, de mesosfeer, is eigenlijk ook te weinig waterdamp aanwezig om wolken te vormen. In het zomerseizoen ontstaan op hoge noordelijke breedte in de mesosfeer echter verticaal omhoog gerichte bewegingen die de ijle atmosfeer laten afkoelen. De afkoeling is aan de top van die laag, bij de zogeheten mesopauze, toch sterk genoeg om waterdamp te laten sublimeren tot ijskristalletjes. De temperatuur waarbij dat proces goed op gang komt ligt dan al rond de min 120 graden Celsius. De ijskristalletjes zetten zich graag af op minieme stofdeeltjes. Die stofdeeltjes zijn er op die hoogte, rond 80 tot 85 kilometer, in ruime mate voorhanden. Het zijn de resten van meteoren die al iets hoger in de atmosfeer uiteenvallen door de wrijving met de luchtmoleculen. De asresten van de meteoroïden zijn microscopisch klein en blijven lange tijd zweven op die grote hoogte. Juist rond de mesopauze zijn de meteoorresten dan een mooie basis om te berijpen. De berijpte deeltjes zijn dan zo groot dat ze het zonlicht kunnen weerkaatsen en als spiegeltjes gaan fungeren. De diameter van de afzonderlijke stofjes blijft echter superklein, vaak niet groter dan 1 tienmiljoenste meter. Dat weerkaatste zonlicht is daardoor erg zwak, zo zwak dat de berijpte stofjes pas zichtbaar worden als de hoeveelheid weerkaatst  licht  dat van de helderheid van de normale hemelachtergrond overtreft. Het duurt daarom in onze streken vaak minstens tot  vijf kwartier na zonsondergang (of tot maximaal 5 kwartier voor zonopkomst) dat de wolken zichtbaar worden.

Kijken naar Noorwegen en Zweden

Vanwege hun verschijningsmoment worden ze daarom nachtwolken genoemd, hoewel er in de zomer eigenlijk op onze breedte alleen maar sprake is van diepe schemering ( de ‘grijze’ nachten). Juist door dat feit, te danken aan de zon die niet zo heel ver onder de horizon staat, is het recept voor lichtende nachtwolken compleet. De stofdeeltjeshoogte op 85 kilometer verblijven op deze noordelijke breedte nog langer in de zon en kaatsen daardoor het licht ook naar onze positie in de schemering. Rond half twee in de nacht staat de zon het verst onder onze horizon en komt ook een groot deel van de nachtwolken even in het donker. In de aardschaduw is er dan geen mogelijkheid meer om zonlicht te weerkaatsen. Alleen berijpte stofdeeltjes die op zeer noordelijke breedte zweven, bijvoorbeeld boven midden Noorwegen, blijven de hele nacht in het zonlicht. Vanuit ons land zijn die zeer noordelijke wolken soms nog te zien, maar ze bevinden zich zeer laag boven de noordelijke horizon, soms niet hoger dan 1 graad aan de hemel. Het is wel bijzonder om dan in feite wolken te zien die zich op meer dan 1000 kilometer afstand van jou bevinden, ergens ver boven Noorwegen of Zweden.

1885

Het optreden van lichtende nachtwolken wordt al meer dan 100 jaar nauwkeurig bijgehouden. De allereerste meldingen komen uit 1885. Dat wil niet zeggen dat ze daarvoor nooit zijn gezien, maar er bestaan geen goede waarnemingsgegevens van. Wat opvalt, is dat er een sterke schommeling is in het aantal opgetreden situaties door de jaren heen. Het blijkt dat er ook een 11-jarige cyclus in is te ontdekken. De activiteitscyclus van de zon heeft invloed op het temperatuursverloop (verminderde kans op extreem lage waarden) in de mesosfeer en op de hoeveelheid ultraviolette straling. Die UV-straling is voor een deel verantwoordelijk voor het uiteenvallen van waterdampmoleculen in zijn afzonderlijke elementen. Beide effecten leveren tijdens een zonne(vlekken)maximum dus indirect een verlaagde kans op rijpvorming op de meteoorresten. In de jaren rond het zonnevlekkenminimum lijkt het aantal waarnemingen van lichtende nachtwolken dus gemiddeld hoger te liggen.

Lichtende nachtwolken op 21 juni omstreeks 23:21, gezien vanuit Steenwijk. Foto: Jacob Kuiper

Rol van methaan?

In de laatste decennia lijkt er echter een toename in de hoeveelheid polaire mesosfeerwolken, zoals de wetenschap deze wolken meestal noemt,  te constateren. Mogelijk wordt vanuit de lagere atmosfeer meer waterdamp naar de mesosfeer gevoerd, waardoor de kans op rijpvorming op de meteoroïderestanten toeneemt. Een van de mogelijkheden om meer water(damp) in de hogere atmosfeer te krijgen, biedt het broeikasgas methaan. De concentratie methaan in de troposfeer neemt de laatste decennia toe (o.a. door verhoogde uitstoot/aanmaak door landbouw en veeteelt en permafrostsmelt in de toendra’s). Dat opstijgende methaan kan op grote hoogte in de atmosfeer chemisch reageren met andere stoffen en onder invloed van sterke UV-straling van de zon uiteenvallen, waarbij dan water vrijkomt. Het onderzoek naar de toenemende concentratie waterdamp in de mesosfeer is nog erg jong en veel zaken zijn nog niet bekend. Door de veranderende samenstelling van gasconcentraties zijn de mogelijkheden om rijp op de het meteoorstof te laten groeien wellicht steeds gunstiger. De wijzigende frequentie en de mate waarin polaire mesosfeerwolken voorkomen, kan dus een aanwijzing zijn dat ook in de hoogste delen van de dampkring nieuwe evenwichten worden opgezocht.

De kaskraker van seizoen 2019

Met de 11-jarige zonneactiviteit nu zo ongeveer op het laagst, heeft het lichtende- nachtwolkenseizoen 2019 zich niet onbetuigd gelaten. Met de AIM-satelliet, speciaal aan het werk om polaire mesosfeerwolken in kaart te brengen, werden de eerste wolken waargenomen op 22 mei en dat is bijzonder vroeg. De concentratie polaire mesosfeerwolken nam daarna snel toe en reikte tot breedtegraden waar ze normaal niet of nauwelijks worden gezien. Vanuit Nederland en België werden de laatste weken vrijwel iedere heldere avond/nacht lichtende nachtwolken waargenomen. Dat is bijzonder en levert een verschijningsfrequentie die vele malen hoger ligt vergeleken met ‘magere’ jaren. Culminatie in het huidige nachtwolkenseizoen was de topdisplay op de late avond van 21 juni 2019. Rond 23.00 uur was de hemel in onze streken voor meer dan 80% bedekt met lichtende nachtwolken. Als groot liefhebber van het fenomeen, doe ik al sinds 1983 waarnemingen. Iedere heldere weersituatie in de zomernachten wordt geturfd of ze er wel of niet waren. De grote hoeveelheid verschijningen in dit seizoen zijn wat dat betreft al historisch. De uitgebreidheid waarmee het verschijnsel op 21 juni te zien was, brak de recordverschijning die op 2 juli 2008 in de vroege ochtend zichtbaar was. Ook andere nachtwolken-waarnemers die al meerdere decennia het verschijnsel bijhouden, spreken van een absolute topper in deze toevallig kortste nacht van het jaar.

Polaire mesosfeerwolken AIM satelliet 16 juni 2019 Foto: NASA.

Deel jouw foto’s

Heb je ook lichtende nachtwolken gezien? Deel je foto’s online op sociale media met de hashtag #lichtendenachtwolken en tag de Werkgroep Meteoren. We zijn te vinden op Twitter én op Instagram. Voor meer foto’s van lichtende nachtwolken kun je ook terecht op de Instagram van de KNVWS.


Tekstbijdrage: Jacob Kuiper, luchtvaartmeteoroloog bij het KNMI, tevens bestuurslid van de KNVWS en al jaren lid van de Werkgroep Meteoren.

Diepenveen-meteoriet heeft mogelijk overeenkomsten met de planetoïde Ryugu

De Diepenveen-meteoriet viel op 27 oktober 1873, maar werd pas in 2012 in een privé-collectie herontdekt voor de wetenschap. Nu publiceert een team van 26 onderzoekers van verschillende internationale onderzoeksinstituten – met Marco Langbroek van Naturalis Biodiversity Center als eerste auteur – de resultaten van grondig onderzoek naar de ‘Diepenveen’ in Meteoritics & Planetary Science. Opvallend: de steen is na anderhalve eeuw omzwervingen op aarde nog verrassend vers én vertoont mogelijk overeenkomsten met de planetoïde Ryugu waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 eerder dit jaar is geland. Het wordt spannend om, als Hayabusa 2 in 2020 terug naar aarde komt met steenmonsters, de materialen te vergelijken.

De steenmeteoriet ‘Diepenveen’ is in 2012 herontdekt in een privécollectie door een oud-conservator van het Eise Eisinga Planetarium. Eind 2013 werd de steen door de toenmalige eigenares geschonken aan de rijkscollectie, beheerd door Naturalis Biodiversity Center in Leiden. Bij het nu gepubliceerde onderzoek waren in Nederland ook de VU Amsterdam, het KNMI en de KNVWS betrokken.

De Diepenveen-meteoriet. Foto credit: Sebastiaan de Vet/ Naturalis Biodiversity Center

Verschillende impacts

De meteoriet behoort tot het CM-type van de koolstofchondrieten, een speciale groep meteorieten met soms honderden soorten organische moleculen. De Diepenveen is een zogeheten ‘regoliet’, materiaal dat afkomstig is van een door inslagen flink omgewoeld en tot stof en brokstukjes vergruisd oppervlak. Het materiaal wijkt echter op een aantal punten flink af van andere meteorieten van het CM-type:

  • de zuurstofisotopen (variaties van het zuurstofatoom) zijn lichter dan in andere stenen van deze groep;
  • sommige delen van de steen zijn minder omgezet door contact met water in de ruimte dan gangbaar;
  • het Diepenveen-materiaal heeft verschillende inslagen meegemaakt, waarbij de laatst gedateerde grote inslag zo’n 1,5 miljard jaar geleden plaatsvond in de planetoïdengordel, wat behoorlijk jong is voor ons zonnestelsel;
  • het materiaal heeft na de laatste inslag, toen het C/Cg-type moederlichaam onder invloed van Jupiter-verstoringen al in een baan dichter bij de aarde terecht was gekomen, nog zo’n 3 tot 5 miljoen jaar als klein object van ongeveer een halve meter doorsnee door de ruimte gevlogen. Dat is veel langer dan normaal bij dit type meteoriet.

Samenstelling

De onderzoekers hebben veel koolstofverbindingen (organische moleculen, zoals aminozuren) gevonden die ook in sommige andere meteorieten voorkomen, maar ze bleken andere samenstellingen en verhoudingen te hebben. De verhouding van twee belangrijke aminozuren in de steen lijkt juist niet op die van andere meteorieten van het CM type, maar wél op die van meteorieten van een heel ander type (CI). De Diepenveen lijkt nog het meeste op een CM-meteoriet die in 1979 in Antarctica is gevonden, Yamato 793321. Indirect geeft dat ook een bevestiging dat de bijzondere eigenschappen hun oorsprong vinden in processen in de ruimte, want de Diepenveen en Y-793321 hebben na hun val op aarde een compleet andere geschiedenis meegemaakt. De Diepenveen heeft eigenschappen van verschillende meteorieten uit verschillende groepen en kan daardoor mogelijk als een ‘kosmische bruggenbouwer’ die meteorietsoorten met elkaar verbinden.

“Als Hayabusa 2 in 2020 naar de aarde terugkomt met kleine gesteentemonsters is het spannend om het materiaal met Diepenveen te kunnen vergelijken.”

Leo Kriegsman, Naturalis

Diepenveen en planetoïde Ryugu

De eigenschappen van Diepenveen zette de onderzoekers op een zoektocht naar planetoïden die kunnen lijken op de ruimterots waarvan Diepenveen ooit afbrak. Ze kwamen er een op het spoor door te kijken hoe zonlicht weerkaatst wordt door vergruisde oppervlakken. Het reflectiespectrum van de Diepenveen lijkt op dat van de koolstofrijke planetoïde Ryugu, een ruimterots van ongeveer een kilometer doorsnee waarop de Japanse ruimtesonde Hayabusa 2 op 21 februari 2019 is geland. “Hier op aarde kun je gesteente vaak in context beter begrijpen, maar dat is met een steenmeteoriet uit het zonnestelsel een stuk lastiger. Ruimtemissies kunnen dus uitkomst bieden”, licht Naturalis-onderzoeker en mede-auteur Sebastiaan de Vet toe. Mogelijk bestaat een deel van het oppervlak van Ryugu dus uit materiaal dat vergelijkbaar kan zijn met de Diepenveen-meteoriet. “Overeenkomsten tussen meteorieten en planetoïden zijn vrij zeldzaam, dus als Hayabusa 2 in 2020 naar de aarde terugkomt met kleine gesteentemonsters is het spannend om het materiaal met Diepenveen te kunnen vergelijken”, voegt Leo Kriegsman daar aan toe, die als Naturalis-onderzoeker ook meewerkte aan de studie. Diepenveen kan op deze manier mogelijk nieuwe aanwijzingen geven over de bouwstenen en de processen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de rotsplaneten en misschien zelfs aan het leven op onze planeet.

 


Bron: Persbericht van het Naturalis Biodiversity Center.  Beeld en tekst mag alleen overgenomen worden met vermelding van de juiste credits.

Bijdrage Werkgroep Meteoren: Binnen het onderzoek was er ook een rol weggelegd voor leden van de Werkgroep Meteoren. Niek de Kort was na de initiële herontdekking betrokken vanuit het Meteoriet Documentatie Centrum en trok het historische onderzoek. Jacob Kuiper dook de weerarchieven in en reconstrueerde de weersomstandigheden rondom de inslag in 1873. Sebastiaan de Vet verzorgde de spectroscopische metingen die bijdroegen aan het leggen van de link naar Ryugu en maakte een 3D-model om de dichtheid van de meteoriet te bepalen.